Ellen slikt en slikt nog eens maar het helpt niet.

“Ellen slikt en slikt nog eens maar het helpt niet. Deze woorden zijn te groot, te lief, dit is te veel warmte. Ze heeft Margoths bewondering niet verdiend. Margoth weet niets over Puni en het medicijn. Niets over de ramp.

Een tranenvloed welt in haar op en ze legt haar hoofd snikkend op Margoths schoot. De taxichauffeur kijkt verbaasd in zijn achteruitkijkspiegel. Als Margoth bij het hotel uit de taxi stapt is haar zijden broek helemaal nat.

– Sorry, fluistert Ellen, ik heb zoveel tranen opgespaard.

Stockholm, Zweden

20 februari 2004

In het kantorencomplex van het geneesmiddelenconcern Medici gaan een voor een de lichten uit. Spoedig zal het op alle verdiepingen donker zijn, behalve in een hoek van de afdeling Marketing en Economie. Anne-Marie Forsberg staat op van haar bureau en loopt een rondje over de afdeling. Het is de vijfde keer dat ze dat doet sinds vijf uur vanmiddag. Ze heeft een leeg koffiekopje in haar hand voor het geval er nog iemand in het gebouw is en haar ziet.

Eindelijk heeft zelfs het ambitieuze hoofd van de financiële administratie haar mappen dichtgeslagen, het licht uitgedaan en is vertrokken. Anne-Marie hoorde haar ‘Dag!’ roepen bij de deur naar het trappenhuis, maar durft er nog niet op te vertrouwen dat ze nu eindelijk alleen in het gebouw is. Voor alle zekerheid doet ze bij elke kamer de deur even open, klaar om zich te verontschuldigen dat ze bezig is de vieze kopjes op te halen omdat er anders in de keuken al gauw geen kopjes meer zijn, en het is toch wat dat mensen niet zelf hun kopje opruimen – te slordig voor woorden. Alle kamers zijn donker en leeg.

Het is half negen en ze is helemaal alleen op de afdeling, hopelijk in het hele gebouw. Over een paar uur komt er een nachtwaker en dan zou het gek zijn als ze hier nog rondloopt, maar als het goed is kan ze tot die tijd haar gang gaan. Ze doet de deur van het kantoor van haar chef open, schuift de gordijnen dicht en logt in op zijn computer.

Stockholm, Zweden

23 februari 2004

– Ik ben ontslagen!

Anne-Marie’s zorgvuldig gemanicuurde handen liggen onbeweeglijk op haar rok. Toen ze gisteren opbelde voor een acute vergadering met de Junta, had ze opgewonden en strijdlustig geklonken. Ze had bewijs gevonden, zei ze, bewijs dat het gevaarlijke medicijn van Medici afkomstig was en dat haar chef hierbij had bemiddeld.

De Junta was besodemieterd en Ellen had nietsvermoedend een moordwapen op zak gehad. Ze wilde verder niets door de telefoon zeggen, maar zou het bewijs meenemen. Nu zit ze in Inga’s rommelige kantoor bij de vrouwenopvang en het lijkt alsof alle kracht uit haar is weggevloeid. Ze heeft haar rubberlaarzen niet eens uitgetrokken en die laten nu kleine plasjes water achter op het zeil met kurkmotief. De andere leden van de Junta wurmen zich de kamer in. Ze weten geen van allen wat ze moeten zeggen, maar ten slotte doorbreekt Agneta, die ooit via de vakbond een cursus heeft gedaan, de stilte.

– Hoezo ‘ontslagen’? Je kunt tegenwoordig helemaal niet zomaar worden ontslagen. Een ontslag moet worden aangekondigd, de arbeidsovereenkomst moet officieel worden opgezegd en er moet sprake zijn van een tekort aan arbeid of zoiets. Heb je al contact met de bond gehad?

– Dat geldt allemaal niet als je van een misdrijf wordt beschuldigd, zegt Anne-Marie zachtjes.

– Hoezo misdrijf? briest Inga. Als ik je goed begrepen heb zijn zij het die een misdrijf hebben begaan.

– Ja, maar hoe kunnen we dat bewijzen zonder dat we er zelf bij betrokken raken?

– Over wat voor misdrijf praten ze?

– Bedrijfsspionage.

– Zou jij een bedrijfsspion zijn!? En wie zou je dan in vredesnaam bespioneren?

– Dat weet hij niet, zegt hij. Mijn chef dus. Maar hij kan aantonen dat ik in zijn computer ben geweest en geheime documenten over nieuwe producten heb gelezen, die niet naar buiten mogen komen.

– Maar dat heb je toch helemaal niet gedaan?

– Jawel, nee, ja, dat heb ik wel gedaan. Vrijdagavond heb ik daar gezeten. Ik heb op zijn computer ingelogd, want ik had, zonder dat hij dat wist, zijn wachtwoord ontdekt, en daar vond ik materiaal over het nieuwe medicijn dat ze met onze hulp op Zambiaanse patiënten hebben getest. Met onze naïeve, welwillende hulp.”